Het is maar één keer 1 april

Ik had geluk dit jaar. Ik mocht namelijk op 1 april een cursus geven. Daar heb ik uiteraard gretig gebruik van gemaakt. Het eerste punt op het programma was een overzicht van relevante veranderingen in wet- en regelgeving. De perfecte dekking. Recentelijk is er namelijk een wetsvoorstel ingediend én aangenomen in de Tweede Kamer om de WOR te wijzigen: OR-leden kunnen persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor het geven óf niet geven instemming.

Vragen

Toen ik het wetsvoorstel had toegelicht en uitgelegd, kwamen de vragen. Niet of ik dit wel zeker wist, of dat het een 1 april grap was, maar vooral over de inhoud en achtergrond van het voorstel. Natuurlijk heb ik alle vragen serieus beantwoord. Uiteindelijk heb ik de ‘waarom’-vraag beantwoord met het antwoord dat het wetsvoorstel beoogt mij op 1 april een goede grap te laten maken.
Hier kan ik het natuurlijk bij laten – het was 1 april en ik heb een grap uitgehaald, haha – en ik heb m’n column voor de Geuzenbrief af. Maar er is nog één vraag die ik wil beantwoorden: waarom werkte deze grap? Om die vraag te beantwoorden, neem ik je even mee naar de psychologie van het nemen van beslissingen.

Autoriteit van de cursusleider

Heel kort door de bocht: om energie te besparen, gebruiken we mentale afsnijroutes (biases) en nemen we beslissingen op basis van de informatie die voorhanden is. Eén van die afsnijroutes is gebaseerd op het autoriteitsprincipe. Wanneer iemand die we als een autoriteit beschouwen ons iets vertelt, dan geloven we dat meestal.
In dit geval was ik als cursusleider de autoriteit op het gebied van relevante wijzigingen in de wet- en regelgeving. Wat ik vertelde werd dus automatisch aangenomen als waar, want waarom zou ik dingen vertellen die niet waar zijn? Dit ging natuurlijk om een 1 april grap, maar het leerde mij ook iets over mijn positie als cursusleider. Het is een positie waar ik zorgvuldig mee om moet gaan, want wat ik zeg, dat heeft gewicht.

OR en autoriteit

Tegelijkertijd zegt dit ook iets over hoe de OR zich moet verhouden ten opzichte van anderen die ze als autoriteit beschouwen. Vooral wanneer er andere belangen in het spel zijn, is het raadzaam om kritisch te luisteren naar wat er gezegd wordt. Niet uit wantrouwen, maar om ervoor te waken dat de belangen die je als ondernemingsraad behartigt, ook daadwerkelijk worden meegewogen.

Diederik van Prooijen